
Maarten Romkes neemt een van de tenorpartijen voor zijn rekening. In de Lemnis wandelgangen staat hij ondertussen bekend als de GVR, oftewel de Grote Vriendelijke Reus. Maarten is namelijk boomlang – grove schattingen liggen ergens tussen de twee en vier meter – en er komt nooit een onvertogen woord over zijn lippen. Met zijn kristalheldere stem en zijn vriendelijk twinkelende ogen weet hij altijd te boeien en te ontroeren. Hij beschikt bovendien over een onverwoestbare strot, en draait zijn stembanden niet om voor soms wel twee Mattheus Passions op een dag. Maarten is namelijk, volgens ons, een van de beste Evangelisten van heel Nederland en omstreken. Wij boffen dan ook enorm dat hij voor ons elke keer stad en land afreist om zich bij ons illustere gezelschap te voegen. Niet in de laatste plaats vanwege zijn koffiezet vaardigheden. Met de grootste aandacht en precisie, waar legio weegschalen, thermometers en timers aan te pas komen, zorgt hij ervoor dat hij de koffie klaar heeft precies op het moment dat iedereen er het hardst aan toe is. Ondertussen trakteert hij wie het maar horen wil op een koffie-college. Diezelfde aandacht en precisie neemt hij mee in het muziek maken. Maarten is ritmisch rotsvast en we maken dan ook graag misbruik van zijn duistere verleden als slagwerker. Hij is gezegend met een scherp observatievermogen en is op de meest onverwachte momenten onbedaarlijk grappig.
Gelukkig zijn er ook dingen waar Maarten minder talent voor heeft. Voor zijn Lemnis-collega’s is het namelijk altijd weer spanning en sensatie tijdens de zoom-meetings waarbij het altijd maar weer de vraag is of het Maarten gaat lukken bijtijds de meeting in te komen, en dan ook nog zowel audio als video tegelijkertijd te laten functioneren.
Lemnis ❤️ Maarten

“Bij kleine Maarten thuis waren overal muziekinstrumenten. Piano in de hoek, gitaar aan de wand, fluiten in de la en zelfs een Johannus Orgel. De muzikale genen kwamen van mijn moeder. Opa was organist, dirigent en bespeelde instrumenten die ik nog niet kende. Hij musiceerde met gezin en die traditie bereikte mijn opvoeding. Als ik ‘sliep’ werd er gerepeteerd met een kwartet blokfluiten of een jazzbandje. Ik zou zo mee kunnen zingen. Net als de liederen die ik leerde op het kinderkoor, waar ook mijn zus zong. Als enige jongen daar wilde ik snel iets anders doen: trommelen bij de drumband. Één trommel, aan een riem met een beugel op je been. Ik voel de blauwe plekken nóg. Er kwam snel uitbreiding: een heel drumstel. Ik ging drummen bij een jazzband en gospelgroep. Bij de brassband leerde ik pauken en melodisch slagwerk en voor je het weet zit je op het conservatorium. ‘S zomers gingen we naar Engeland. Mijn moeder zong in een kathedraal, het gezin kampeerde. Op mijn 16e schalde ik de muziek die mijn moeder thuis studeerde over de camping, en het volgende jaar mocht ik meezingen. De liefde voor Anglicaanse kerkmuziek is gebleven.
Op het conservatorium genoot ik van ensemblespel. Groot symfonisch orkest was gaaf, maar kamermuziek boeide me ontzettend. Ook duurde het niet lang voordat ik er in de verplichte koorklas door koordirectie studenten uitgepikt werd om in hun koor te zingen. Snel zong ik mee in de top van de amateurkoren in Noord-Nederland en kon ik me ook als solist ontplooien. Samen met mijn interesse voor koordirectie (en iets teveel bordspelletjes tot in de late uren) kostte dat me mijn slagwerkopleiding, maar de cirkel was rond. Nu zing ik professioneel in heel Nederland, en ga ik als dirigent van mijn eigen koor de plas over. En mag ik mijn steentje bijdragen aan Lemnis! Ik kijk er erg naar uit om met deze fijne mensen een uniek genre te vertolken.
Ook probeer ik de muzikale traditie in mijn jonge gezin door te geven, met een spinetje aan de wand. En ze kunnen gelukkig kunnen ze nog bij opa op het orgel.”
